DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

Bestuurders rechtspersonen opgepast:  Regeling over bewijsvermoeden bij bestuurdersaansprakelijkheid niet in strijd met EU-recht

Een bestuurder van een rechtspersoon, zoals een bv, kan onder omstandigheden aansprakelijk worden gesteld voor bepaalde belastingen (waaronder loonbelasting en omzetbelasting) en premies sociale verzekeringen die het door hem bestuurde lichaam is verschuldigd maar die niet zijn betaald. Er zijn twee mogelijkheden:

1.      Het lichaam heeft de plicht om tijdig melding te maken van betalingsonmacht. Ieder van de bestuurders van het lichaam is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Indien de betalingsonmacht correct en tijdig is gemeld, kan de bestuurder alleen nog aansprakelijk worden gesteld als sprake is van aan hem te wijten 'kennelijk onbehoorlijk bestuur'. De ontvanger van de belastingdienst moet dit dan aannemelijk zien te maken. De aansprakelijkheid werkt terug tot drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van de melding. De meldingsplicht vervalt vanaf het moment dat de ontvanger op de hoogte raakt van de betalingsonmacht, zo is door de Hoge Raad in een arrest uit 1994 beslist.

2.      Het lichaam heeft geen (juiste) melding van betalingsonmacht gedaan. In dat geval is elk van de bestuurders aansprakelijk en wordt vermoed dat de niet-betaling aan de bestuurder(s) is te wijten. Deze regeling staat ook wel bekend als het ‘bewijsvermoeden’. Ook hier geldt een aansprakelijkheid voor een periode van drie jaar die aanvangt op het tijdstip waarop het lichaam  de meldingsplicht verzuimt. De bestuurder heeft echter de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan.

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan in een procedure waarbij een bestuurder van een bv in 2005 door de ontvanger aansprakelijk was gesteld voor door de bv onbetaald gelaten naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak jaar 1997. Een deel van de naheffingsaanslag had betrekking op een factuur uit 1997 waarop de bv omzetbelasting had vermeld. Daardoor was de bv wettelijk gehouden om deze belasting te voldoen, maar had dat kennelijk niet gedaan.
 
Uit de wetsgeschiedenis van de wetsbepaling over bestuurdersaansprakelijkheid leidde de Hoge Raad af dat met die bepaling is bedoeld een bestuurder uitsluitend aansprakelijk te stellen voor belasting die een ‘in de hoedanigheid van ondernemer handelend lichaam’ zelf verschuldigd is geworden. Hiertoe behoort echter niet de belasting waarvoor het lichaam aansprakelijk is gesteld.
 
De wettelijke regeling voor op een factuur vermelde omzetbelasting is gebaseerd op een bepaling van een Europese btw-richtlijn. De Hoge Raad merkte hierover op dat de strekking van deze richtlijnbepaling is om het gevaar uit te schakelen dat de fiscus belastinginkomsten misloopt vanwege het feit dat de afnemende ondernemer recht heeft op vooraftrek van de gefactureerde btw. De wettelijke regeling voor op een factuur vermelde omzetbelasting heeft daardoor niet overwegend het karakter van aansprakelijkstelling.
 
De Hoge Raad beoordeelde vervolgens diverse cassatiemiddelen van de bestuurder, waaronder zijn stelling dat de regeling van bewijsvermoeden in strijd is met het EU-recht in het bijzonder met het rechtszekerheidsbeginsel en/of evenredigheidsbeginsel.

Over de regeling van het bewijsvermoeden merkte de Hoge Raad op dat die als doel heeft om de overheidsontvangsten te beschermen. Dit wordt met name bereikt door ervoor te zorgen dat de ontvanger op een vroeg tijdstip op de hoogte raakt van de betalingsmoeilijkheden van een lichaam, zodat hij de nodige maatregelen kan nemen om de inning van de belastinginkomsten zeker te stellen. Om dit te bereiken bevat de regeling van bewijsvermoeden een krachtige stimulans voor de bestuurder om ervoor te zorgen dat de ontvanger direct bericht ontvangt indien blijkt dat het lichaam niet tot betaling van belasting in staat is. De regeling van bewijsvermoeden gaat naar het oordeel van de Hoge Raad daarmee niet verder dan de wetgever voor dit doel redelijkerwijs noodzakelijk kon achten.
 
De Hoge Raad heeft de zaak uiteindelijk nog wel verwezen naar Hof Amsterdam voor verdere behandeling (feitenonderzoek). Hof Den Haag was namelijk niet ingegaan op de stelling van de bestuurder dat de ontvanger in 2001 door een bestuurder per brief op de hoogte was gebracht van het feit dat de bv niet in staat was om een naheffingsaanslag omzetbelasting te voldoen.
 
Opmerking
Met ingang van 1 januari 2008 is de bestuurdersaansprakelijkheid uitgebreid. Deze uitbreiding bestaat hierin dat ieder van de bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de door dat lichaam niet betaalde aansprakelijkheidsschuld. Deze wijziging is ingevoerd bij de wet 'Versterking fiscale rechtshandhaving'. Zie ook hiervoor ons nieuwsbericht van 13 oktober 2005.
 
Bron: PWC 26012011 Hoge Raad, 21-1-2011, nr. 09/00422.

DeHypothekenMakelaar.nl



Laatste update: 26/01/2011 09:11.05