DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

Pas op bestuurdersaansprakelijkheid! Ook bij nog voldoende geldmiddelen kan sprake zijn van betalingsonmacht bv

8 februari 2011

Samenvatting

De Hoge Raad heeft onlangs een belangwekkend arrest gewezen over de bestuurdersaansprakelijkheid voor door een vennootschap verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen die niet is afgedragen. Als een vennootschap niet tot betaling daarvan in staat is, moet de vennootschap aan de ontvanger tijdig een melding van betalingsonmacht doen. Wordt aan de meldingsplicht niet of niet op de juiste wijze voldaan, dan wordt wettelijk vermoed dat de niet-betaling aan de bestuurder is te wijten als gevolg van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. In bepaalde omstandigheden kan de bestuurder dat wettelijke vermoeden weerleggen. Maar wat is betalingsonmacht? Betalingsonmacht hoeft niet alleen een blijvende toestand van ‘niet tot betaling in staat zijn’ inhouden maar kan ook van tijdelijke aard zijn. De Hoge Raad was van oordeel dat van betalingsonmacht ook sprake kan zijn als een vennootschap over voldoende geldmiddelen beschikt om de belastingschulden te kunnen voldoen, maar in verband met haar overige verplichtingen die middelen daarvoor feitelijk niet heeft gebruikt. De Hoge Raad vernietigde de andersluidende uitspraak van Hof Den Haag en verwees de zaak voor een nieuwe behandeling in volle omvang naar Hof Amsterdam.

Volledig artikel

Als een rechtspersoon, zoals een bv, bepaalde belastingen en premies sociale verzekeringen niet meer kan betalen, is die vennootschap verplicht dat tijdig aan de ontvanger van de belastingdienst te melden. Elk van de bestuurders van de vennootschap is bevoegd om namens die vennootschap aan die verplichting te voldoen. In ons nieuwsbericht van 25 januari 2011 hebben we de hoofdlijnen van deze regeling weergegeven.

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de ontvanger van de belastingdienst een voormalig bestuurder aansprakelijk mocht stellen voor door een bv niet afgedragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. De zaak was als volgt.

Een man was vanaf april 2002 tot en met 19 december 2006 bestuurder van een houdstervennootschap die tot en met laatstgenoemde datum enig aandeelhoudster en bestuurder was van een bv. Op 20 december 2006 verkocht de houdster al haar aandelen in die bv aan een derde. Met dagtekening 17 januari 2008 legde de inspecteur de bv voor het tijdvak 2004 een naheffingsaanslag loonbelasting / premie volksverzekeringen met boete, heffingsrente, invorderingsrente en kosten op. De aanslag was opgelegd vanwege het feit dat de bv over 2004 meer belasting en premie was verschuldigd dan door de bv was aangegeven. Met dagtekening 12 april 2007 legde de inspecteur de bv eenzelfde soort naheffingsaanslag op over de periode 19 juni 2006 tot en met 10 september 2006 met eveneens boete, rente en kosten. Deze aanslag betrof belasting en premie die de bv over dat tijdvak wel had aangegeven maar niet had afgedragen. Op 11 juli 2008 stelde de ontvanger van de belastingdienst de man als (gewezen) bestuurder aansprakelijk voor beide naheffingsaanslagen met boete, rente en kosten. Rechtbank Den Haag verminderde het bedrag van de aansprakelijkstelling. Hof Den Haag bevestigde in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank en was onder meer van oordeel dat de man niet de mogelijkheid had om het vermoeden te weerleggen dat de niet-betaling aan hem was te wijten. De man ging daarop in cassatie bij de Hoge Raad.

De man stelde dat hij geen bestuurder meer was op het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen waren opgelegd. Hij was daardoor van deze aanslagen niet op de hoogte geraakt en kon dus geen melding van betalingsonmacht meer doen. De Hoge Raad was het met de man eens, maar alleen voor zover het de eerste naheffingsaanslag betrof. Een bestuurder die geen bestuurder meer is op het moment dat aan de meldingsplicht moet worden voldaan, heeft altijd de mogelijkheid om het wettelijke vermoeden van niet-betaling als gevolg van hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur te weerleggen.

De Hoge Raad wees vervolgens op de regels voor bestuurdersaansprakelijkheid voor naheffingsaanslagen. Onder omstandigheden bestaat ook voor deze aanslagen een meldingsplicht met de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs voor de bestuurdersaansprakelijkheid. Het moet in dat geval gaan om een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting en premie meer bedragen dan op aangifte is afgedragen of afgedragen had moeten worden. Daarbij geldt als voorwaarde dat deze omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van de vennootschap. In dat geval heeft de bestuurder twee weken na de vervaldag van de aanslag de tijd om een melding van betalingsonmacht te doen. De Hoge Raad stelde vast dat de eerste naheffingsaanslag voldeed aan de hiervoor omschreven naheffingsaanslag. Hof Den Haag had daarom moeten onderzoeken of de over het jaar 2004 meer verschuldigde loonbelasting en premie niet was te wijten aan opzet en grove schuld van de bv. Is dat de bv niet te verwijten dan heeft de man de mogelijkheid om het wettelijke vermoeden (en dus zijn bestuurdersaansprakelijkheid) te weerleggen. Het hof dat dit echter niet onderzocht.

Ook op een ander punt was de Hoge Raad van oordeel dat de hofuitspraak niet in stand kon blijven. Het betrof de opvatting van het hof over de situatie van betalingsonmacht. Het hof was ervan uitgegaan dat een vennootschap wat betreft haar meldingsplicht van betalingsonmacht slechts de keuze heeft tussen tijdig betalen en het melden dat het niet tot betalen in staat is. De Hoge Raad merkte over betalingsonmacht op dat daarvan niet alleen sprake is bij een blijvende toestand van niet tot betaling (van belasting) in staat te zijn. Daarvan kan ook sprake zijn bij tijdelijke betalingsmoeilijkheden, waarbij een vennootschap nog een redelijke verwachting kan hebben dat het aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen.

De Hoge Raad was op basis van de strekking van de regeling van de meldingsplicht van oordeel dat van betalingsonmacht ook sprake kan zijn als een vennootschap over voldoende geldmiddelen beschikt om de belastingschulden te kunnen voldoen, maar in verband met haar overige verplichtingen die middelen daarvoor feitelijk niet heeft gebruikt…..

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en verwees de zaak voor een nieuwe behandeling in volle omvang naar Hof Amsterdam.
 
Bron: PWC 09022011 / Hoge Raad, 4-2-2011, nr. 10/01660.

DeHypothekenMakelaar.nl

 



Laatste update: 09/02/2011 12:00.37