DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

PensioenHeffing Thailand beoordeeld: pensioenopbouw geprivatiseerde Nederlandse universiteit deels belastbaar in het buitenland

Samenvatting

Pensioen dat men heeft opgebouwd gedurende een werkperiode in Nederland, maar dat wordt genoten in het buitenland (bijvoorbeeld na emigratie), kan in Nederland maar ook in het nieuwe woonland zijn belast. In dat geval geven de regels van internationaal belastingrecht -zoals een belastingverdrag- aan welk land heffingsbevoegd is over de pensioenuitkeringen en hoe de voorkoming van dubbele belasting verloopt. Volgens regels van internationaal belastingrecht is het gangbaar dat het woonland van de pensioengenieter het in het bedrijfsleven opgebouwde pensioen (veelal exclusief) in de belastingheffing betrekt en dat het bronland (veelal exclusief) heffingsbevoegd blijft over in dat land opgebouwd overheidspensioen. Maar deze uitgangspunten zijn geen automatismen. Het belastingverdrag tussen het woonland van de gepensioneerde en het bronland waar deze persoon zijn pensioen heeft opgebouwd geeft daarover pas echt uitsluitsel. Rechtbank Breda heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdeling van de heffingsbevoegdheden van twee landen over een pensioen dat deels was opgebouwd in overheidsdienst aan de orde kwam. De procedure betrof een voormalig medewerker van een rijksuniversiteit in Nederland die al in 2000 naar Thailand was geëmigreerd. Van 1968 tot 2002 was hij werkzaam geweest bij die universiteit. De betreffende universiteit was in 1992 geprivatiseerd waardoor vanaf dat jaar geen sprake meer kon zijn van pensioen opgebouwd in overheidsdienst. In 2006 ontving de man pensioen over zijn dienstbetrekking van 34 jaren bij de universiteit. Op basis van het belastingverdrag met Thailand stelde de rechtbank vast dat Nederland heffingsbevoegd was over het 24/34e deel van het pensioen (jaren 1968 – 1992) en Thailand over het 10/34e deel.

Volledig artikel

Pensioen dat men heeft opgebouwd gedurende een werkperiode in Nederland, maar dat wordt genoten in het buitenland (bijvoorbeeld na emigratie), kan in Nederland maar ook in het nieuwe woonland zijn belast. In dat geval geven de regels van internationaal belastingrecht -zoals een belastingverdrag- aan welk land heffingsbevoegd is over de pensioenuitkeringen en hoe de voorkoming van dubbele belasting verloopt. Volgens regels van internationaal belastingrecht is het gangbaar dat het woonland van de pensioengenieter het in het bedrijfsleven opgebouwde pensioen (veelal exclusief) in de belastingheffing betrekt en dat het bronland (veelal exclusief) heffingsbevoegd blijft over in dat land opgebouwd overheidspensioen.

Maar deze uitgangspunten zijn geen automatismen. Het belastingverdrag tussen het woonland van de gepensioneerde en het bronland waar deze persoon pensioen heeft opgebouwd geeft daarover pas echt uitsluitsel. Rechtbank Breda heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdeling van de heffingsbevoegdheden van twee landen over  een pensioen dat deels was opgebouwd in overheidsdienst aan de orde kwam. Een complicerend element in deze procedure betrof de juridische kwalificatie van de opgebouwde pensioenrechten vanaf een bepaald tijdstip. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.

Een man was van 1968 tot 2002 werkzaam geweest bij een rijksuniversiteit in Nederland. De betreffende universiteit was in 1992 geprivatiseerd. In 2000 -nog voor zijn pensionering- emigreerde hij naar Thailand. Vanaf 2002 ontving hij een pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP over zijn 34-jarige dienstverband.

In het jaar 2006 ontving de man een pensioenuitkering van € 25.727 waarop € 1.117 aan loonheffing was ingehouden. De man meende dat Nederland niet heffingsbevoegd was over het pensioen. Hij had over dat jaar in Nederland aangifte gedaan naar een verzamelinkomen (de drie box-inkomens tezamen) van nihil en had daarbij geen melding gemaakt van het pensioen noch van de ingehouden loonheffing. De inspecteur meende echter dat Nederland heffingsbevoegd was over het hele pensioen. Hij stelde het verzamelinkomen daarom vast op € 25.727 met verrekening van € 1.117 aan loonheffing. De zaak kwam voor Rechtbank Breda.

De rechtbank stelde vast dat de man in 2006 voor de Nederlandse belastingheffing buitenlands belastingplichtig was en niet had geopteerd voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige. Daardoor behoorde tot zijn inkomen uit werk en woning het belastbaar loon voor het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid (= pensioenuitkering). De vraag rees aan welk land het heffingsrecht over het pensioen toekwam.

De rechtbank stelde vast dat de in 1992 geprivatiseerde rijksuniversiteit op grond van een wettelijke bepaling (uit de Wet op het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderzoek) weliswaar na privatisering nog kwalificeert als een publiekrechtelijke instelling, maar dat wel een einde was gekomen aan het ‘bewijzen van diensten in de uitoefening van overheidsfuncties’. Vanaf dat tijdstip was dan niet langer sprake van pensioen opgebouwd in overheidsdienst.

De rechtbank projecteerde het bovenstaande op het belastingverdrag met Thailand. De man had van 1968 tot en met 1992 pensioen opgebouwd in overheidsdienst met als gevolg dat Nederland op grond van een bepaald verdragsartikel uit het verdrag met Thailand het 24/34e deel van de pensioenuitkering in de heffingsgrondslag mocht betrekken. Het heffingsrecht over het 10/34e deel was op grond van een ander verdragsartikel aan Thailand toegewezen. De rechtbank concludeerde dat hierdoor het 10/34e deel van € 25.727 (= € 7.567) niet in Nederland kon worden belast. De rechtbank verminderde daarom het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.727 met € 7.567 tot € 18.160. Het beroep van de man was dus gegrond.

Bron: PWC /11 maart 2011 Rechtbank Breda, 18-2-2011, nr. 09/3212 (gepubliceerd 8-3-2011).

DePensioenMakelaar.nl  

 



Laatste update: 14/03/2011 09:57.42