DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

Fiscus mag onterechte zelfstandigenaftrek na jaren terugvorderen !

 

De belastinginspecteur heeft volgens de rechter juist gehandeld toen hij zes jaar na aangifte bij de vrouw van een garage-eigenaar de kennelijk toch ten onrechte opgevoerde zelfstandigenaftrek terugvordert.


De garage-eigenaar drijft samen met zijn vrouw een garagebedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma (VOF). Zijn vrouw voert in haar aangifte over 2002 zelfstandigenaftrek en een dotatie aan de FOR op. Uit een boekenonderzoek door de inspecteur uitgevoerd in 2008 blijkt dat zij in 2002 slechts werkzaamheden van ondersteunende aard verrichtte en dat er sprake was van een ‘ongebruikelijk samenwerkingsverband’. Zij had daarom geen recht op toepassing van de genoemde ondernemersfaciliteiten.
­
Naar aanleiding hiervan legt de inspecteur een navorderingsaanslag op over het jaar 2002. De vrouw is het hier niet mee eens. Naar haar mening is hier geen sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Zij is van mening dat de inspecteur destijds bij de aangifte onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de feiten.
­

Hof Den Bosch is het eens met Rechtbank Breda. De inspecteur hoefde bij de aanslagregeling redelijkerwijs niet te twijfelen aan de juistheid van de geclaimde zelfstandigenaftrek en toevoeging aan de oudedagsreserve (FOR). De aangifte zag er verzorgd uit en was gedaan door een belastingadviseur. Er was geen noodzaak voor de inspecteur om te twijfelen aan de juistheid ervan en een nader onderzoek in te stellen. Hij heeft ten aanzien van de aangifte 2002 de zorg in acht genomen die redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
­
Dat de ten onrechte geclaimde ondernemingsfaciliteiten pas toevalligerwijs na een boekenonderzoek in 2008 aan de orde kwam, kan fiscaal worden beschouwd als een nieuw feit wat navordering van belastingheffing en premies volksverzekeringen rechtvaardigt.

 

Regels bij navordering


Als hoofdregel geldt dat de Belastingdienst binnen vijf jaar kan navorderen. Als de Belastingdienst echter wil gaan navorderen om een fout in de aanslag te herstellen, dan moet deze navordering plaatsvinden binnen twee jaar na het opleggen van de belastingaanslag dan wel binnen twee jaar na het nemen van een besluit om geen aanslag op te leggen. Na afloop van twee jaar mag de Belastingdienst alleen navorderen als sprake is van een nieuw feit. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige te kwader trouw was.
­
In dit geval oordeelde het hof dat de inspecteur destijds mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte. Het onterechte gebruik van de ondernemersfaciliteiten in 2002 was een feit dat hem redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Dat deze fout pas aan het licht kwam na een boekenonderzoek van jaren later, levert voldoende grond voor het aannemen van een nieuw feit dat aanleiding kan geven tot het opleggen van een navorderingsaanslag.

 

Bron: 02 mei 2010 Kluwer / Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden / Hof Den Bosch

DeHypothekenMakelaar.nl

Bijlagen:



Laatste update: 02/05/2011 11:56.46