DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

Voorontwerp Wet verhoging pensioenleeftijd naar Tweede Kamer

Samenvatting

Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aan de Tweede Kamer het voorontwerp van de Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW toegezonden. Het voorontwerp is een uitwerking van het pensioenakkoord dat het kabinet en sociale partners op 10 juni 2011 hadden gesloten. Dit wetsvoorstel heeft aanpassingen op twee sporen: aanpassingen in de Algemene Ouderdomswet (AOW) en aanpassingen in de fiscale wetgeving (loonbelasting en inkomstenbelasting). De aanpassingen houden onder meer in dat de AOW-leeftijd én de pensioenrichtleeftijd in het fiscale kader ouderdomsvoorzieningen worden gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Daarnaast zal de mogelijkheid worden geïntroduceerd om het AOW-pensioen eerder of later te laten ingaan. Deze mogelijkheid staat in principe los van het eventueel eerder of later opnemen van het aanvullend pensioen. Hierbij geldt dat het AOW-pensioen niet eerder kan ingaan dan op 65-jarige leeftijd. Het eigenlijke wetsvoorstel zal na de zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 1 januari 2013 in werking treedt.

Volledig artikel
Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aan de Tweede Kamer het voorontwerp van de Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW toegezonden. Het voorontwerp is een uitwerking van het pensioenakkoord dat het kabinet en sociale partners op 10 juni 2011 hadden gesloten. Dit wetsvoorstel heeft aanpassingen op twee sporen: aanpassingen in de Algemene Ouderdomswet (AOW) en aanpassingen in de fiscale wetgeving (loonbelasting en inkomstenbelasting). De aanpassingen houden onder meer in dat de AOW-leeftijd én de pensioenrichtleeftijd in het fiscale kader ouderdomsvoorzieningen worden gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Het eigenlijke wetsvoorstel zal na de zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 1 januari 2013 in werking treedt.
 
I. KOPPELING AAN LEVENSVERWACHTING

Het kabinet heeft voor de verhoging van de AOW-leeftijd gekozen voor een aankondigingstermijn van minimaal 11 jaar. Het aanpassen van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde resterende levensverwachting gebeurt aan de hand van een bepaalde formule. De benodigde ramingen voor de levensverwachting zal het CBS maken. Om de vijf jaar zal er een berekeningsmoment zijn. Dan wordt bekeken of de AOW-leeftijd 11 jaar later aangepast zou moeten worden. Dit betekent dat voor 1 januari 2014 de AOW-leeftijd wordt vastgesteld zoals die per 1 januari 2025 gaat gelden. De AOW-leeftijd wordt alleen verhoogd wanneer de stijging van de levensverwachting via de formule minimaal een verhoging van één heel jaar rechtvaardigt. Tegelijkertijd is het zo dat de verhoging van de AOW-leeftijd maximaal 1 jaar zal bedragen, ook wanneer de stijging van de levensverwachting via de formule een grotere verhoging oplevert.
 
Het verhogen van de pensioenrichtleeftijd voor de fiscale regelgeving vindt plaats 10 jaar voorafgaand aan de verhoging van de pensioenleeftijd in de AOW. Pensioenfondsen en pensioenverzekeraars hebben daardoor de gelegenheid om hun regelingen aan te passen aan de nieuwe fiscale richtleeftijd.
 
II. AANPASSINGEN IN DE AOW

De AOW kent een opbouwsystematiek waarbij men in de leeftijd tussen 15 en 65 jaar 2% AOW-pensioen per jaar opbouwt. Dit geldt voor ingezetenen en personen die in Nederland werken. De mogelijkheid van een onvolledig AOW-pensioen ligt daarom besloten in deze opbouwsystematiek. Voor 65-plussers met een onvolledige AOW-pensioen en zonder aanvullend pensioen (inclusief wettelijk pensioen uit een ander land) of andere inkomsten, fungeert de algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) als vangnet. Hoewel een verhoging van de AOW-leeftijd in beginsel ertoe zou leiden dat daarmee ook de opbouwsystematiek wordt aangepast, kiest het kabinet uit overwegingen van eenvoud toch voor handhaving van de opbouwperiode op 50 jaar. Wanneer bijvoorbeeld de AOW-leeftijd 66 jaar is, begint de opbouw op 16-jarige leeftijd.
 
Extra verhoging van het AOW-pensioen

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de hoogte van het AOW-pensioen vanaf 2012 tot en met 2028 jaarlijks extra te verhogen, naast de reguliere indexatie op basis van de ontwikkeling van de contractlonen. Deze verhoging wordt gefinancierd uit een gelijktijdige afbouw van een bepaald inkomensondersteuningsinstrument (uit de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, de MKOB) en de fiscale ouderenkorting. De alleenstaande ouderenkorting blijft wel volledig intact. De jaarlijkse extra verhoging is gelijk aan een bedrag ter hoogte van 0,6% van het huidige AOW-pensioen van een gehuwde. Dit komt neer op € 54 op jaarbasis bij volledige AOW-opbouw. De extra verhoging is gelijk voor gehuwden en alleenstaanden. De extra verhoging van de AOW wordt ook uitgekeerd bij het eerder opnemen van het AOW-pensioen.
 
Eerder of later opnemen AO W -pensioen

Wanneer doorwerken niet mogelijk of wense lijk is, kan men ervoor kiezen het AOW-pensioen op te nemen vóór de AOW-leeftijd. Dit kan ook in deeltijd. Hierbij geldt dat het AOW-pensioen niet eerder kan ingaan dan de dag waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt. Alleen personen die op of na 1 januari 2020 de leeftijd van 65 jaar bereiken kunnen dus van deze mogelijkheid gebruik maken. Als de AOW-leeftijd – naar verwachting – in 2025 op 67 jaar ligt, kan het AOW-pensioen maximaal twee jaar eerder ingaan. Mocht de pensioengerechtigde leeftijd in de toekomst nog verder verschuiven, dan schuift het aantal jaren dat het AOW-pensioen eerder kan ingaan, automatisch mee met de pensioengerechtigde leeftijd. De mogelijkheid om het AOW-pensioen later te laten ingaan dan de pensioengerechtigde leeftijd kan al gerealiseerd worden bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 januari 2013. Het later ingaan van het AOW-pensioen is mogelijk tot maximaal vijf jaar na de dag waarop men de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
 
Het eerder of later ingaan van het AOW-pensioen leidt tot een vaste korting of verhoging op het AOW-pensioen van 6,5% per jaar korter of langer werken. Een half jaar eerder of later ingaan van het AOW-pensioen is ook mogelijk en leidt tot een korting of verhoging van 3,25%. De verhoging of verlaging van het AOW-pensioen vindt plaats op het geheel van het bruto uit te keren bedrag. Dit bedrag bestaat uit het AOW-pensioen, een eventuele partnertoeslag en de extra verhoging.
 
Voor het eerder laten ingaan van AOW-pensioen geldt als voorwaarde dat daardoor geen recht zou ontstaan op een bijstandsvoorziening (zoals de aanvullende inkomensvoorziening ouderen, AIO). Men moet over een zeker minimaal structureel inkomen in verband met arbeid moet beschikken op het moment dat het AOW-pensioen eerder ingaat. Het structurele inkomen wordt gevormd door het eerder ingaande AOW-pensioen, aanvullend pensioen en structurele uitkeringen die worden verkregen uit individuele pensioenvoorzieningen zoals (bancaire) lijfrenten. Voor het later laten ingaan van het AOW-pensioen geldt hetzelfde. Het eerder of later opnemen van het AOW-pensioen in deeltijd kan in stappen van 10% plaatsvinden.
 
Aan het uitstellen van het AOW-pensioen zit een bepaald risico. De nabestaande van degene die het AOW-pensioen geheel heeft uitgesteld, zonder dat een verzoek tot betaling van het AOW-pensioen is ingediend, heeft namelijk geen recht op een overlijdensuitkering. De AOW-gerechtigde heeft zelf bewust gekozen om het AOW-pensioen in zijn geheel later in te laten gaan, waarbij onder ogen is gezien dat men door een plotseling overlijden het uitgestelde AOW-pensioen geheel kwijtraakt.
 
III. AANPASSINGEN IN HET FISCALE KADER

 
Verhoging pensioenrichtleeftijd

In de fiscale regelgeving voor pensioenen (hierna: het fiscale kader) wordt allereerst de pensioenrichtleeftijd aangepast. Deze richtleeftijd staat op dit moment op 65 jaar en wordt in 2013 verhoogd naar 66 jaar, in 2015 verder verhoogd naar 67 jaar en ten slotte wordt deze richtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting.
 
Derde pijler oudedagsvoorzieningen

In lijn met de aanpassingen voor werknemerspensioen (tweede pijler), wordt ook de opbouwruimte in de derde pijler (lijfrenten) aangepast. Voor werknemers gaat het daarbij om de extra lijfrentepremieaftrek wegens pensioentekort. In verband daarmee wordt in de eerste plaats het maximale premiepercentage voor pensioenopbouw in de derde pijler verlaagd. In 2013 wordt dit percentage verlaagd van 17% naar 16,5% en in 2015 van 16,5% naar 16%. Vervolgens wordt dit premiepercentage steeds met 0,5%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de pensioenrichtleeftijd met een jaar wordt opgehoogd. Naast de aanpassing van het maximumpremiepercentage zal bij de derde pijler ook rekening worden gehouden met het bedrag waarmee de AOW in de periode van 2 013 tot en met 2028 wordt verhoogd.
 
Fiscale oudedagsreserve

Voor zelfstandigen komt ook een beperking in de opbouw van de oudedagsvoorziening: de fiscale oudedagsreserve. Naast de inperking van de premieruimte in de derde pijler vindt een verlaging van het maximale dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve plaats. Zo gaat allereerst het maximale dotatiepercentage in 2013 omlaag van 12% naar 11,7% en in 2015 van 11,7% naar 11,4%. Daarnaast gaat het maximumdotatiepercentage met 0,3%-punt omlaag in ieder jaar dat de fiscale pensioenrichtleeftijd met een jaar wordt verhoogd.
 
Ouderenkorting

De financiering van de extra verhoging van het AOW-pensioen met 0,6% in de periode 2013 tot en met 2028 wordt gevonden in de afbouw van de ouderenkorting. Deze afbouw vangt aan op het moment dat de eerdergenoemde MKOB is opgedroogd. Naar verwachting is dit eind 2019. De afbouw van de ouderenkorting loopt van 2020 tot en met 2028 en bedraagt € 71 per jaar (in prijzen 2011). Verder komt vanaf 2020 een nieuwe inkomensafhankelijke ouderenkorting specifiek gericht op lage inkomens. Deze heffingskorting bedraagt € 300 en wordt vanaf een inkomen van 18.000 euro geleidelijk afgebouwd met 5% van het inkomen tot op nihil bij € 24.000. 

Bron: 23 juni 2011  / Ministerie van Financiën, 21-6-2011, nr. ASAE/SAS/2011/10786

DePensioenMakelaar.nl

 



Laatste update: 24/06/2011 11:02.00