DePensioenMakelaar.nl
VerbijsterendAdvies voor wat bedoelt met goed geregelde inkomensvoorzieningen

(Kamer)verhuur en AVP aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren beoordeeld

 

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

U I T S P R A A K Nr. 2004/76 WA

i n d e k l a c h t nr. 2003.4390 (125.03)

 

ingediend door:

hierna te noemen 'klager',

tegen:

hierna te noemen 'verzekeraar'.

 

De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft kennis genomen van de schriftelijke klacht,

alsmede van het daartegen door verzekeraar gevoerde schriftelijke verweer. De Raad

heeft aanleiding gevonden, alvorens uitspraak te doen, verzekeraar in een zitting van de

Raad te horen. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

 

Inleiding

Op 6 juni 2001 is waterschade ontstaan in de kunstgalerie van klager

door een defect van een wasautomaat in de boven de galerie gelegen woning. De

woning en de wasautomaat waren eigendom van iemand die bij verzekeraar met

ingang van 8 maart 2001 een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren had

gesloten. Blijkens de rapporten van de door verzekeraar en de door klager naar

aanleiding van de schade ingeschakelde experts verhuurde de eigenaar de woning

aan drie studenten en was de wasautomaat in gemeenschappelijk gebruik bij deze

studenten. Volgens de opgave van klager bedraagt zijn nog niet vergoede schade

€ 4.703,43.

 

In artikel 2.A van de op de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van

toepassing zijnde speciale verzekeringsvoorwaarden is bepaald:

‘De verzekering dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden in hun hoedanigheid

van particulier, buiten (neven)bedrijf, (neven)beroep, betaalde functie (…)’.

 

De klacht

Uiteindelijk is gebleken dat de eigenaar van de woning alleen een

aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren had gesloten en NIET voor het

aansprakelijkheidsrisico dat uit kamerverhuur voortvloeit verzekerd was. Aan

klager had hij echter met stelligheid meegedeeld dat hij voor deze schade wel

verzekerd was. Klager wist niet dat voor het verhalen van schade op een derde

moet worden aangetoond dat deze derde verwijtbaar heeft gehandeld. Doordat

verzekeraar zo traag heeft gereageerd verkeert klager thans in bewijsnood.

 

Het standpunt van verzekeraar

Klager is gelet op het bepaalde in artikel 5 a van het Reglement Raad van

Toezicht Verzekeringen niet-ontvankelijk in zijn klacht. Hij treedt immers op in

hoedanigheid van een kunstgalerie, niet zijnde een consument, voor de ontstane

schade aan kunstwerken (in consignatie) en inventaris.

De eigenaar van de woning boven de galerie heeft bij verzekeraar een

aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten. Het betreft hier

echter schade door een bedrijfsmatig risico, de verzekerde blijkt namelijk kamers

te verhuren. De schade is ontstaan door een defect in een wasmachine die door

de gezamenlijke kamerbewoners wordt gebruikt. Voor schade veroorzaakt door

een bedrijfsmatig risico biedt de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren

geen dekking.

 

Op 6 juni 2001 ontstond de waterschade. Op 7 juni 2001 werd de

aansprakelijkstelling verzonden en op 8 juni 2001 heeft verzekeraar een

expertisebureau ingeschakeld. Op 8 juni 2001 heeft hij aan de verzekerde

meegedeeld dat een expert was ingeschakeld maar dat verzekeraar nog

onvoldoende gegevens had om de aansprakelijkheid en/of de polisdekking te

kunnen beoordelen. Vervolgens zijn nadere gegevens opgevraagd bij klager en de verzekerde. Voor

klager was een contra-expert actief in deze kwestie.

Op 9 oktober 2001 volgde een voorlopig rapport van de door verzekeraar

ingeschakelde expert en bleken nog nadere gegevens nodig om de claim correct

te kunnen beoordelen.

 

Op 13 november 2001 heeft verzekeraar aan de verzekerde bericht dat

polisdekking ontbrak (geen particulier risico). Omdat bij een

aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren geen rechtstreeks

vorderingsrecht bestaat, kon verzekeraar volstaan met een bericht van afwijzing

aan de verzekerde. Uit een brief van 27 mei 2002 van de tussenpersoon van

klager blijkt overigens dat het afwijzend standpunt van verzekeraar bij deze

tussenpersoon en daarmee bij klager zelf bekend was.

Verzekeraar is van mening dat hij tijdig een expertisebureau heeft ingeschakeld

en dat hij tijdig en op juiste gronden na ontvangst van het expertiserapport tot

afwijzing van polisdekking heeft geconcludeerd. Hij behoefde niet klager erop te

wijzen dat deze nu de aansprakelijkheid van de verzekerde moest aantonen. Deze

aansprakelijkheid heeft klager tot nu toe niet of onvoldoende aangetoond.

 

Het commentaar van klager

Klager heeft, kennis genomen hebbend van het verweer van verzekeraar, zijn

klacht gehandhaafd. Klager merkt nog op dat verzekeraar al uit het

aanvraagformulier voor de met ingang van 1 november 2000 door de huiseigenaar

bij hem gesloten woonhuisverzekering wist dat in de woning kamerverhuur

plaatsvond. Voorts merkt klager nog op dat de eigenaar van de woning niet alleen

eigenaar van de wasautomaat was, maar deze ook gebruikte. Deze is dus

aansprakelijk voor de schade. Verder merkt klager nog op dat het correct was

geweest als verzekeraar hem een kopie van de aan de verzekerde gerichte

afwijsbrief van 13 november 2001 had toegezonden. Klager vraagt zich voorts af

of aan verzekeraar door zijn locale kantoor, een bank, bij het sluiten van de

aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren wel is doorgegeven dat op deze verzekering

moest worden aangetekend dat zijn verzekerde kamers verhuurde.

 

Het overleg met verzekeraar

Ter zitting is de klacht met verzekeraar besproken. Verzekeraar heeft daarbij

erkend dat hij bij het tot stand komen van de onderhavige aansprakelijkheidsverzekering

voor particulieren wist dat zijn verzekerde kamers verhuurde.

 

Het verdere verloop van de klachtprocedure

Verzekeraar heeft bij brief van 3 juni 2004 aan de Raad bericht dat hij om

redenen die vooral liggen op het terrein van de communicatie met klager, bereid is

klager tegemoet te komen door hem alsnog een bedrag van € 3.000,- uit te keren.

In reactie daarop bij brief van 25 juni 2004 heeft klager zijn klacht gehandhaafd.

 

Het oordeel van de Raad

1. Artikel 1 van het Reglement van de Raad van Toezicht Verzekeringen omschrijft het

begrip ‘consument’ als: ‘De verzekeringnemer, de verzekerde en elke andere, bij de

verzekeringsovereenkomst onmiddellijk en middellijk belanghebbende, met uitzondering

van de verzekeringnemer, de verzekerde en de belanghebbende als ondernemer of

instelling wiens/wier (bedrijfs-)activiteiten naar het oordeel van de Raad van zodanige

omvang zijn dat de klacht zich niet leent voor een onderzoek door de Raad’. Uit de

stukken blijkt dat hier niet sprake is van een zodanige omvang van de bedrijfsactiviteiten -

een kunstgalerie die de kunstwerken in consignatie heeft - dat de klacht zich niet leent

voor onderzoek door de Raad. Klager is derhalve ontvankelijk in zijn klacht.

2. Verdedigbaar is het standpunt van verzekeraar dat de onderhavige schade - ontstaan

door een defect aan een wasmachine die in gebruik was bij drie studenten die van de

verzekerde kamers huurden - op de onderhavige aansprakelijkheidsverzekering voor

particulieren NIET gedekt is, gelet op het bepaalde in artikel 2.A van de op deze verzekering

van toepassing zijnde speciale verzekeringsvoorwaarden en op het feit dat blijkbaar niet

tussen de verzekerde en hem was overeengekomen om een clausule op de polis te

plaatsen die voorzag in dekking van het aansprakelijkheidsrisico dat uit kamerverhuur

voortvloeit. Mede gelet op het bepaalde in genoemd artikel 2.A, kan uit het door klager

benadrukte feit dat verzekeraar bij het sluiten van de overeenkomst wist dat de

verzekerde kamers verhuurde, NIET de conclusie worden getrokken dat verzekeraar door

de onderhavige verzekering te sluiten de schijn heeft gewekt dat hij ook het uit

kamerverhuur voortvloeiende aansprakelijkheidsrisico dekte. In zoverre heeft verzekeraar

de goede naam van het verzekeringsbedrijf niet geschaad en zal de klacht niet gegrond

worden verklaard.

 

3. In zijn uitspraak Nr. 2001/70 WA van 19 november 2001 heeft de Raad geoordeeld: ‘Uit

het oogpunt van een zorgvuldige schaderegeling vloeit voort dat een verzekeraar nadat

een verzekerde, die bij hem tegen aansprakelijkheid is verzekerd, aansprakelijk is gesteld,

zo spoedig mogelijk aan de wederpartij van zijn verzekerde duidelijkheid verschaft over de

vraag of en in hoeverre de bij hem gesloten verzekering dekking biedt voor de schade

waarvoor zijn verzekerde aansprakelijk wordt gesteld.’

In strijd daarmee heeft verzekeraar volstaan met op 13 november 2001 een bericht van

afwijzing van polisdekking aan de verzekerde te sturen, en niet ook klager van de afwijzing in kennis te stellen.

In zoverre heeft verzekeraar de goede naam van het

verzekeringsbedrijf geschaad en zal de klacht gegrond worden verklaard.

 

4. De tussenpersoon van klager, die blijkens een brief van 27 mei 2002 aan de verzekerde

van het afwijzend standpunt van verzekeraar op de hoogte was, heeft zich bij brief van 25

juni 2002 gewend tot het plaatselijke kantoor van een aan verzekeraar gelieerde bank, via

welk kantoor de verzekerde stelde tegen de onderhavige schade te zijn verzekerd. Het

antwoord van dit kantoor is vervolgens geruime tijd uitgebleven.

 

5. De Raad is van oordeel dat de communicatie van verzekeraar met klager onvoldoende

is geweest. Ook in zoverre heeft verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf

geschaad en zal de klacht gegrond worden verklaard. Verzekeraar heeft echter door zijn

brief van 3 juni 2004 aan de Raad laten blijken zich de kwestie en vooral de gebrekkige

communicatie met klager aan te trekken door klager tegemoet te komen door hem alsnog

een bedrag van € 3.000,- uit te keren. Dit bedrag acht de Raad redelijk. Daarom vindt de

Raad geen aanleiding om aan de gegrondbevinding voor verzekeraar verdere financiële

consequenties te verbinden.

 

De beslissing

De Raad verklaart de klacht deels gegrond, deels ongegrond.

Aldus is beslist op 18 oktober 2004 door Mr. M.M. Mendel, voorzitter, Drs. C.W.L. de

Bouter en Mr. E.M. Dil-Stork, leden van de Raad, in tegenwoordigheid van Mr. S.N.W.

Karreman, secretaris.

De Voorzitter: (Mr. M.M. Mendel)

De Secretaris: (Mr. S.N.W. Karreman)

Bron: KIFID

VerbijsterendAdvies.nl  



Laatste update: 13/10/2016 10:11.20